Laatst las ik "De Ondraaglijke Lichtheid van het Bestaan" van de Tsjechische Milan Kundera. Het boek beschrijft het leven van vier personages tijdens de Praagse Lente en de bezetting door de Sovjet-Unie. Ondanks dat de sfeer vrij somber en melancholiek is en er regelmatig diep filosofische gedachten langskomen, is het goed te lezen en staat het boek inmiddels op m'n lijstje met absolute favorieten. Zoals dat gaat met de meeste boeken die ik lees, maak ik aantekeningen van mijn favoriete passages, zodat ik die later nog eens terug kan lezen. Dit zijn vaak de meest filosofische stukjes, de dingen die me aan het denken zetten. Bij deze een selectie:"Alleen het toeval kan zich aan ons openbaren als een boodschap. Wat nodig is, verwacht kan worden, zich elke dag herhaalt, spreekt niet aan. Alleen het toeval spreekt tot ons. We proberen erin te lezen zoals zigeunerinnen koffiedik kijken op de bodem van een kopje."
"Je kunt dus niet een roman verwijten dat die gefascineerd is door het mysterieuze samenkomen van toevalligheden [...], maar je kunt de mens terecht verwijten dat hij in zijn leven van alledag blind is voor dergelijke toevalligheden, waardoor zijn leven de dimensie van schoonheid verliest."
Het verschijnsel "toeval" vind ik mateloos fascinerend. Wat is toeval überhaupt? Volgens mijn woordenboek: "het onberekenbaar gebeuren". Maar de meeste gebeurtenissen waaraan we toeval toeschrijven zijn heel goed berekenbaar, zolang je maar genoeg parameters hebt. Volgens mij is toeval in het dagelijks gebruik meer een psychische aandoening. Een term die gebruikt wordt voor elke niet-doelgerichte-menselijk-in-gang-gezette gebeurtenis die uit de toon valt. Dus zolang iets je niet opvalt, is het ook geen toeval... bestaat toeval dan eigenlijk wel? Want gebeurtenissen met dezelfde kans als toeval zijn voortdurend aanwezig en toeval kondigt zijn bestaan slechts aan in het geval dat het opvalt. Echter, omdat er al die tijd al toeval aanwezig was, maar niet opviel, is het opvallende niet zo toevallig meer. Het toeval is dus met zichzelf in tegenspraak en heft het zijn bestaan weer op. Hmmm.
Goed, de titelverklaring is ook een mooie:
"Einmal ist keinmal. Wat maar eenmaal gebeurt, had net zo goed niet hoeven te gebeuren. De geschiedenis van de Tsjechen zal zich niet herhalen, de geschiedenis van Europa evenmin. De geschiedenis van de Tsjechen en van Europa zijn twee schetsen, getekend door de fatale onervarenheid van het mensdom. De geschiedenis is even licht als één individueel mensenleven, ondraaglijk licht, zo licht als een veertje, als een zwevend stofdeeltje, als dat wat morgen niet meer bestaat."
Het hoofdverhaal, wat in principe gewoon over "het leven" vertelt, is continu verweven met dat soort diepe gedachten. En regelmatig zitten er ook extreem humoristisch-filosofische stukjes in, zoals het volgende:
"Toen ik klein was en het Oude Testament, verteld voor kinderen en geïllustreerd met prenten van Gustave Doré, doorbladerde, zag ik daarin God op een wolk. Hij was afgebeeld als een oude man met ogen, een neus en een lange baard en ik dacht dat hij als hij een mond had, ook moest eten. En als hij at, moest hij ook darmen hebben. Maar die gedachte schrikte me meteen af, want al was ik een kind uit een amper gelovig gezin, ik vond het beeld van Gods darmen heiligschennis.
Zonder enige theologische opvoeding, spontaan, begreep ik als kind al de onverenigbaarheid van stront en God, en daardoor ook het twijfelachtige uitgangspunt van de christelijke antropologie dat de mens geschapen werd naar Gods beeld. Of het een of het ander: of de mens werd geschapen naar Gods beeld en dan heeft God darmen, of God heeft geen darmen en dan lijkt de mens niet op hem.
[...]
Stront is een moeilijker theologisch probleem dan het kwaad. God gaf de mens vrijheid en we kunnen dus al met al aannemen dat hij niet verantwoordelijk is voor de menselijke misdaden. Alleen hij die de mens heeft geschapen draagt echter de volle verantwoordelijkheid voor de stront."
Op het eind wordt het boek zelfs ontroerend, je zou het bijna kitsch kunnen noemen, maar op een mooie manier. De onvoorwaardelijke liefde tussen een mens en een hond wordt door Kundera op een rake manier beschreven. De wereld zou er een stuk beter uitzien als iedereen van elkaar hield als van een hond. Ik zal niet teveel over het eind vertellen, maar het boek laat je achter met een iets verbouwereerd en verward gevoel. Alsof het leven niet zoveel voorstelt, inderdaad ondraaglijk licht is, en we gewoon maar wat aanmodderen.

